Kerkgeschiedenis - Genealogie Groen etc.

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu

Kerkgeschiedenis

Historie Ureterp

De geschiedschrijver Arend Algra citeert in 'De historie gaat door eigen dorp', een Afrikaans boek, 'Schetsen over Bosberg' (= Ureterp). De schrijver, een zoon van de verderop genoemde ds. Van Wageningen, typeert de inwoner van deze streek met: 'almal moet sukkel om siel en liggaam bijeen te hou'. De armoede en de geïsoleerde ligging weerhield de bevolking echter niet om in de middeleeuwen hier al een kapel te bouwen. In een geschrift van de bisschop van Utrecht uit 1315, waarin de kapellen worden genoemd, die bij de kerk van Oldeboorn horen, komt ook 'Urathorp' voor. Misschien is het wel het oudste geschrift waarin de naam van ons dorp genoemd wordt. De kapel werd later tot parochiekerk verheven en gewijd aan Sint Pieter. De huidige Nederlandse hervormde kerk op Selmien (Sint-Petruskerk ) moet al in de 13de eeuw gebouwd zijn.

De kerk ligt ten westen van Ureterp (De Petruskerk) en werd in de 13e eeuw gebouwd. Grote delen van de kerk, zoals de noord- en oostmuur, zijn omstreeks 1800 vernieuwd. Aan de zuidzijde is het middeleeuwse karakter van de kerk nog af te lezen. Ook de ongelede kerktoren dateert uit de 13e eeuw. De preekstoel, met uitzondering van het klankbord, dateert uit de 17e eeuw. Kerk en toren zijn erkend als rijksmonument. Naast de kerk bevindt zich op het kerkhof een houten klokkenstoel. De klokken die door Pieter Seest zijn geleverd, hebben er tot 31 maart 1943 in gehangen. De kleine klok is echter in 1932 "vergoten". In de Tweede Wereldoorlog roofden de Duitsers ook de Ureterper klokken, waaraan de bevolking erg was gehecht. Na de oorlog werd er door de bevolking een inzameling gehouden die ƒ 6800,00 opbracht om nieuwe klokken te laten maken. Deze nieuwe klokken werden door de firma Petit en Fritzen uit Aerla-Rixtel geleverd. De grootste heeft een gewicht van ongeveer 850 kg. en een middellijn van ongeveer 110 cm. Zij is gestemd in de toon "fis". De kleine heeft een gewicht van ongeveer 600 kg., met een middellijn van 98 cm. en heeft als grondtoon "gis". Na elkaar levert dit do-re op. De klokken werden in 1948, vlak voor de Kerstdagen opgehangen in de Klokkenstoel.

Het opschrift op de grote klok luid: "
Wy hingje hjir yn 't plak fan de liedklokken. dy't getten waerden yn 1766 en yn 1932 en dy't ús yn 't oarlochsjier 1943, 31 maert ûnstellen binne troch de Dûtskers. De Ureterpers joegen ús yn eigendom oer oan "De laatste eer". Aerle-Rixtel, 1948. Urterp, 1948". (Wij hangen hier op de plek van de Luidklokken die werden gegoten in 1766 en 1932 en die ons in het oorlogsjaar 1943, op 31 maart door de Duitsers werden afgestolen. De Ureterpers droegen ons over aan "De Laatste eer". Aerle-Rixtel, 1948. Ureterp, 1948).

Het randschrift op de kleine klok luidt: "
Ik bounzje drôf, ik bounzje bliid - God jowt alle op Syn tiid" ( Ik luid droevig, ik luid blij - God doet alles op Zijn tijd). Op de kleine staat: "Al moast ûs volk yn d' oarloch hast forbliede - For frije Friezen meije wy wer liede" (Al moest ons volk in de oorlog verbloeden - Voor vrije Friezen mogen wij weer luiden.
De plaatselijke uitvaartvereniging werd de eigenaar van de klokkenstoel. Sinds 2008 is de klokkenstoel in het bezit van de gemeente Opsterland.

De pastoor van de Sint Petruskerk te Ureterp, Jacobus Abbaeus, moest in 1567 met vele collega’s uit ons gewest de vlucht nemen, omdat hij niet zuiver op de graat was wat de leer betrof. Het is niet bekend of hij na 1580 is teruggekeerd, toen de Spanjaarden verdreven werden en Friesland 'gereformeerd' werd - 80% van de bevolking was overigens nog rooms katholiek. De rooms katholieke eredienst werd op de meeste plaatsen afgeschaft. Het heeft heel lang geduurd voordat deze streek een eigen herder en leraar kreeg. In 1619 betrok Hayo Cornelli de pastorie in Wijnjeterp en hij diende ook Ureterp, Siegerswoude en Duurswoude. Frieschepalen was toen nog geen zelfstandig dorp maar hoorde er wel bij. In 1722 kwam er een splitsing tot stand en kregen Ureterp en Siegerswoude één predikant. Is in het geheim in een gewoon huis nog de rooms katholieke eredienst uitgeoefend? Er stond een huis aan de Feart, bij de Fûgelhelling, dat de naam 'Paapsche Leere' had.

De Doopsgezinde kerk (mennisten) die in 1661 werd gesticht is later met die van Drachten verenigd. Predikanten bleven hier nooit lang. Het waren bijna allemaal kandidaten die het eerste beste beroep dat ze kregen meestal aannamen. Waarschijnlijk wegens het lage traktement en de geïsoleerde ligging. In de vorige eeuw hebben twee predikanten hier langere tijd de Nederlandse Hervormde Gemeente gediend. Het waren vader en zoon J.C. Fischer: van 1810-1846 en 1846-1869.

In die periode heeft de afscheiding plaats gevonden. Er speelden verschillende factoren een rol bij de afscheiding. Veelbetekenend is bijvoorbeeld dat er in het begin van de vorige eeuw '22 stemgerechtigde plaatsen' in Ureterp waren. De eigenaars van die boerderijen hadden ook het stemrecht in de kerk en bepaalden welke predikant er kwam. Er liep een vrij sterke scheiding, ook in geestelijke ligging, tussen Ureterp-dorp en Ureterp-Vaart. Aan de Vaart woonde de 'import' die met de veen afgravingen hier waren komen wonen. De afscheiding kreeg daar de grootste aanhang.

Door het 'Algemeen Reglement van 1816' kreeg de Nederlandse Hervormde Kerk een synode benoemd door koning Willem I. In de geest van de Franse Revolutie: -Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap - regelde de synode de stoffelijke belangen van de kerk. In het belijden en de prediking van de kerk was er vrijheid. Over deze regelingen was veel onvrede, maar het duurde tot 1834 voordat het tot een conflict kwam. Ds. De Cock van Ulrum bestreed de leer van een invloedrijke hoogleraar in Groningen, prof. Hofstede de Groot. In de Groninger richting vierde het mensoptimisme hoogtij.

Vorming van de mens zou veel volkszonden doen verdwijnen. In Christus zag men de ideale alzijdige persoonlijkheid die de predikant aan zijn gemeente mocht verkondigen. Ds. de Cock ging in op het verzoek van kerkgangers uit andere plaatsen om hun kinderen te dopen. In hun eigen kerk konden ze niet met een goed geweten antwoorden op de tweede doopvraag, naar hun erkenning van wat 'in de christelijke kerk alhier geleerd wordt'. Daarom werd ds. De Cock door zijn classis afgezet als predikant. De kerkenraad en gemeente te Ulrum steunden ds. De Cock en tekenden een 'Akte van Afscheiding of Wederkering', waarin zij verklaarden zich af te scheiden van de Nederlandse Hervormde Kerk en terug te keren tot de 'ware' kerk, zoals die leven moest naar haar gereformeerde belijdenis en Dordtse Kerkorde. Op vele plaatsen werd het voorbeeld van Ulrum gevolgd.
Prof. Klaas Schoolland uit Grand Rapids (Amerika) schreef in 1935 een brief met herinneringen aan de afscheiding in Ureterp. Hij had dat als jongen van 8/9 jaar hier meegemaakt. Enkele citaten uit die brief:

  • "De afscheiding was niet een afscheiding van de ‘Kerk’, maar van de onkerkelijke organisatie van 1816 onder Koning Willem I".

  • "De prediking van ds. Fischer te Ureterp was van een 'vader, die alle mensen lief heeft en tracht op te voeden' tot braafheid en deugd, tot vader Edelharts en Brave Hendrikken, zonder Christus, en zonder genade. Vader en moeder konden het niet uithouden. Langzamerhand werden ze er losser van".


In 1857/58 sloot het gezin Schoolland zich aan bij de Afgescheidenen in Drachten. Klaas Schoolland haalt enkele herinneringen aan en vertelt dat ze na kerktijd daar bleven in het huis van Oeds en Atsje. “
De mensen namen boterhams mee, en Atsje zorgde voor koffie. Zo werd daar de middag doorgebracht. Wat mij daarvan het diepst in de ziel drong, was de geestelijke conversatie van Gods volk omtrent hun dagelijks verkeer met God".

Op 9 februari 1860 gaf de classis Drachten toestemming, "dat te Ureterp een zelfstandige gemeente mag gevestigd worden, gecombineerd met de gemeente Dragten, tot tijd en wijle dat zij zich zelf van een leraar zal kunnen voorzien". Op 4 maart 1860 werd in Ureterp een "Christelijke Afgescheiden Gemeente" gesticht. In 1869 werd de naam veranderd in "Christelijke Gereformeerde Kerk". Toen in 1892 de kerken van de afscheiding samen gingen met die van de Doleantie van 1886, onder leiding van Abraham Kuyper, sloot Ureterp zich hierbij aan. De naam werd toen "Gereformeerde Kerk". In Ureterp kwam het niet tot het oprichten van een afzonderlijke Christelijke Gereformeerde Kerk, mede omdat de Gereformeerde Kerk het afscheidingsstempel bleef houden. Kenmerkend is bijvoorbeeld dat in 1896 bezwaren rezen tegen het dopen van kinderen van doopleden. In bepaalde Christelijke Gereformeerde Kerken in het noorden wordt dit nu nog toegestaan.

Ds. De Cock uit Ulrum legde grote nadruk op de verbondsgedachte in de kerkformatie en wilde daarom kinderen van doopleden dopen. In juli 1897 besloot de kerkenraad van Ureterp dat kinderen van doopleden niet meer zullen worden gedoopt en sloot zich aan bij de algemeen geldende regel in de Gereformeerde Kerken.



In 1860 waren er zo'n 40 leden. De eerste kerkdiensten werden gehouden in de schuur van J.B. Schoolland aan de Vaart. Spoedig ging men over tot het bouwen van een kerk en later de pastorie.



De eerste predikant werd ds. Vlieg. Een predikant die een groot stempel heeft gedrukt op Gereformeerd Ureterp is ds. Van Wageningen geweest. Hij stond in Ureterp van 1877-1907 en onder zijn leiding groeide de kerk van 160 tot 560 leden. De groei kwam niet zozeer door overgangen uit de Nederlandse Hervormde Kerk, maar veel volwassenen lieten zich dopen en traden toe tot de kerk. Deze groei leidde er tevens toe dat de kerk grondig werd verbouwd:

Grote problemen in die tijd waren de handhaving van de zondagsrust (melk leveren op zondag!) en dronkenschap. Zelfs een ouderling werd geschorst wegens volharding in dat laatste kwaad.

In de zware oorlogstijd van 1940-1945 gaf de kerkenraad goede leiding. Helaas kwamen er in die tijd ook weer kerkelijke moeiten. De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken nam leerbesluiten o.m. over verbond en doop. Deze besluiten werden door velen in strijd met Schrift en Belijdenis geacht. Ondanks zeer veel verzoeken vanuit de kerken om herziening en ook uitstel van de behandeling van dit soort zaken tot rustiger tijden (het was oorlogstijd) zette de Synode door. De besluiten van de Synode werden bindend opgelegd. Wat daarmee in strijd was mocht niet gepredikt worden.

In het voorjaar van 1946 besloot de kerkenraad de besluiten van de Generale Synode niet te aanvaarden. Een deel van de kerkenraad was het met dit besluit niet eens.

Het gevolg was een breuk in de gemeente. In 1946 scheidde de meerderheid van kerkenraad en gemeente zich af van de landelijke organisatie van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Deze scheuring heeft droeve sporen achtergelaten omdat de antithese (tegenstelling) ver werd doorgevoerd, deze scheiding bracht in families en er een machtsstrijd ontstond over de bezittingen. De kerk en de pastorie bleven bij de vrijgemaakte gereformeerde groep.

De kerk aan de Feart werd de Gereformeerde kerk vrijgemaakt. Omdat het gebouw te oud werd, is het in 1975 gesloopt en is op dezelfde plaats een nieuwe Gereformeerde kerk vrijgemaakt gebouwd.

De gereformeerden beriepen weer een eigen predikant en in 1948 werd de houten noodkerk aan de Feart in gebruik genomen. In 1962 werd het huidige kerkgebouw aan de Mounestrjitte in gebruik genomen.

Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu